Weernieuws


SLINKT HET IJS OP DE NOORDPOOL?

Voor de filmpjes is Apple QuickTime vereist


Het ijs rond de noordpool smelt sneller dan verwacht en dreigt binnen een eeuw geheel te verdwijnen. Dat is de conclusie van een studie onder leiding van het NASA Goddard Space Flight Centre die op 1 november wordt gepubliceerd.
Het smeltend ijs is een gevolg van de opwarming van de aarde en een verandering van stromingspatronen in de noordelijke ijszee, die vermoedelijk ook deels samenhangt met het broeikaseffect. 
Tussen 1979 en 2003 bedroeg de afname van noordelijk zeeijs ruim 20 procent, aldus de onderzoekers. Verwacht wordt dat de ijskap met 9 procent per tien jaar blijft afnemen, waardoor hij voor het eind van deze eeuw geheel kan zijn verdwenen. 
Dat het ijs rond de noordpool dunner wordt, is al enkele jaren bekend. Het gaat om een ander verschijnsel dan het afsmelten van landijs op bijvoorbeeld Groenland, waardoor de zeespiegel kan stijgen. Smeltend zeeijs benvloedt het zeeniveau slechts een beetje, maar heeft wel grote gevolgen voor de ecologie van het arctisch gebied, het klimaat in Noord-Amerika en Rusland en op de hoeveelheid broeikasgas in de atmosfeer.
Klimaatonderzoekers wisten al dat de opwarming van de aarde zich het sterkst manifesteert rond de noordpool. Een geringe opwarming versterkt daar zichzelf, omdat water veel meer zonlicht en warmte vasthoudt dan ijs. Door het warmere zeewater gaat het later vriezen. Dat resulteert weer in een dunnere ijslaag die in de lente sneller smelt.
Volgens de studie verliep de opwarming van het arctisch gebied de afgelopen twintig jaar acht keer sneller dan in dezelfde regio in de afgelopen honderd jaar. 

Klimaatonderzoeker Rob van Dorland van het KNMI zegt dat de resultaten van het NASA-onderzoek overeenkomen met de scenario's van het internationaal klimaatpanel IPCC. Hierin wordt al rekening gehouden met een versterkte opwarming van het noordpoolgebied. 
Maar in de praktijk kan dat effect nog sterker zijn, zegt hij. Opwarming van het zeewater leidt onder meer tot het ontdooien van de permafrost in de kustgebieden. Daarbij komt veel methaangas vrij; een sterk broeikasgas dat bijdraagt aan een verdere opwarming van de aarde. 

Bron: De Volkskrant

 

Als we slechts afgaan op de beelden van de NASA van de afgelopen 24 jaar, kunnen we niet tot een andere conclusie komen. Volgens sommige berekeningen is over 100 jaar het noordpoolijs gesmolten als het in het tempo doorgaat van de afgelopen 40 jaar.
"The first step in understanding why things happen is observing what is happening," says Dr. Waleed Abdalati, NASA scientist and ice researcher.
U kunt zelf de temperatuurschommelingen volgen in het noordpoolgebied  van 1981 tot 2002. In deze film geven de oranje-rode kleuren  een verhoging van de temperatuur van 0 tot 7 graden aan. De blauwe kleuren vertegenwoordigen een vermindering van de temperatuur van 0 tot 7 graden. voor het laden van de film klikt u hier of rechts op de temperatuurkaart.



Film
temperatuurverloop
noordpool
1981-2002
Apple QuickTime vereist


De Noordpool in 1979
Apple QuickTime vereist


De Noordpool in 2002
Apple QuickTime vereist


U kunt in de volgende film (3,59 mB) zien hoe het noordpoolijs vermindert van 1979 tot 2002.

Sommige Schotse wetenschappers hebben een andere verklaring. Zij stellen dat het ijs mogelijk wordt samengepakt in een beperktere ruimte en wijzigt het volume aan ijs helemaal niet of slechts minder.
Om o.a hier zekerheid over te verkrijgen, lanceert de ESA volgend jaar de satelliet Cryosat.
Deze zal werkelijk uitsluitsel moeten geven.

Karel Knip schreef onderstaand artikel in NRC-Handelsblad van 8-11-2003

OP DUN IJS - DE NOORDPOOLSMELT IS WETENSCHAPPELIJK ZWAK ONDERBOUWD 

Is het Noordpoolijs in rap tempo aan het smelten? Dat valt nog te bezien. Sinds 1990, zo laat een vorige week verschenen studie zien, krimpt het smeltseizoen. 

GAAT DE Noordpool naar de knoppen? Vorige week sloegen de media alarm. De kans is groot dat nog deze eeuw al het zeeijs rond de Noordpool verdwijnt, was de boodschap. Door het broeikaseffect wordt het daar almaar warmer en blijft er na elke zomer minder zeeijs over. Binnenkort is het op. 

Een enkeling klonk het bericht bekend in de oren. Hij herkende plaatjes en getallen en ontdekte dat het het ene deel van de media zich baseerde op een wervend persbericht van de Nasa, dat een artikel in de Journal of climate begeleidde, en dat de BBC een vrije interpretatie gaf van een artikel in Nature. `Big melt warning for Arctic.' Loopt het werkelijk zo'n vaart? Dat valt nog te bezien. 

Er is de laatste decennia intense aandacht voor de ontwikkelingen aan de polen. De verwachting is dat de gevolgen van het broeikaseffect er extra duidelijk en daarom extra vroeg tot uiting zullen komen, dankzij de zogenoemde `polar amplification', de polaire versterking. Die is vooral te danken aan de `ijs-albedo-terugkoppeling': als het (met sneeuw bedekte) zeeijs er onder invloed van stijgende temperatuur wegsmelt wordt het extra warm omdat het ijs al die tijd veel zonnewarmte terugkaatste. Het zeewater absorbeert de zonnestraling. Het verdwijnen van de zeeijsbedekking rond de Noordpool zou direct en indirect dramatische gevolgen kunnen hebben voor het klimaat in noordwest Europa. De `indirecte' gevolgen zijn te vrezen van een mogelijke aantasting van de Golfstroom. 

GROENLAND Afgezien van Groenland - dat een heel eigen leven lijkt te leiden - bestaat het ijs rond de Noordpool voornamelijk uit zeeijs van n tot vier meter dik dat door wind en zeestromingen voortdurend wordt verplaatst. Het zeeijs breidt zich in de winterperiode (november-maart) geweldig naar het zuiden uit en trekt zich 's zomers sterk terug. Halverwege september bereikt het zijn minimum-omvang. De vestiging van permanente waarnemingsstations is er uitgesloten, wel laat men af en toe stations en ingevroren onderzoekschepen met het ijs meedrijven. 

Pas sinds begin jaren zeventig staan sensors aan boord van wetenschappelijke satellieten een `totaal-observatie' van de polen toe. Vooral de Amerikaanse Nimbus-7 satelliet, die van 1978-1987 werd gebruikt, heeft al vroeg veel nuttige informatie verzameld met zijn apparatuur voor detectie van microgolven. Deze onderscheidt zeeijs van zeewater en kan ook 's nachts en dwars door een wolkendek waarnemen. Rond 1990 ontwikkelde zich het vermoeden dat de ijsbedekking rond de Noordpool gestaag afnam. Een van de eersten die dat uitspraken was Nasa-onderzoeker Per Gloersen die in Nature (4 juli 1991) opperde dat de omvang van het noordelijke zeeijs in de tien jaar tussen 1978 en 1987 met 2,4 procent was afgenomen. 

Dat leek niet zoveel en betrof maar een korte waarnemingsperiode. Het beeld veranderde met een ingezonden brief van de Noorse onderzoeker Ola M. Johannessen, opgenomen in Nature van 13 juli 1995. Johannessen had de metingen uitgebreid met latere waarnemingen van DMSP-satellieten, meteorologische satellieten van het Pentagon. Deze gingen in gebruik in 1987 en hebben de meetperiode van de Nimbus-7 maar zes weken overlapt. Dat was, hoopte Johannessen, genoeg voor een redelijke `inter-calibratie' van de twee verschillende meetseries. (Maar de ervaring heeft geleerd dat dit toch heel gevaarlijk is, de DMSP-waarnemingen tonen ook een heel ander beeld dan de Nimbus-waarnemingen.) Johannessen stelde vast dat het zeeijs zich in de zeven jaren tussen 1987 en 1994 versneld terugtrok, overeenkomend met een teruggang van 4,4 procent per decennium. 

EERSTEJAARS IJS De grote klap kwam in 1999 toen Johannessen met een heel nieuwe interpretatie kwam van de oude satellietgegevens. Johannessen had zich afgevraagd of er ook veranderingen optraden in de samenstelling van het zeeijs, of daarin misschien het aandeel meerjarig ijs sneller of minder snel afnam dan het aandeel eerstejaars ijs. 

Het meerjarige zeeijs, ijs dat de zomerperiode heeft overleefd, is gemiddeld wel drie keer zo dik als eerstejaars zeeijs en is vooral in de wintermaanden in de microgolf-waarnemingen goed van dat dunnere ijs te onderscheiden. 

De winterwaarnemingen leerden dat het meerjarige ijs zeer snel in omvang afnam, tussen 1978 en 1998 met wel 7 procent per decennium (Science, 3 december 1999). Beduusd heeft de Noors-Russische groep van Johannessen gezocht naar bevestiging van dit beeld in andere onafhankelijke observaties. Die werden gevonden in zeer origineel Russisch onderzoek naar de demping van oceaandeining door zeeijs. De demping verloopt in dik ijs anders dan in dun ijs. Helaas dekt het Russische onderzoek maar de eerste helft van de onderzoeksperiode van Johannessen. 

De conlusies van Johannessen zijn in 2002 nog wat aangescherpt door Nasa-onderzoekster Josefino Comiso die weer dezelfde satellietgegevens gebruikte. Comiso beschouwde al het zeeijs dat rond 15 september nog aanwezig was als `meerjarig zeeijs' en ontdekte in het aldus opnieuw gedefinieerde ijs een teruggang van maar liefst 8,9 procent per decennium. Feitelijk voegt haar artikel (in Geophysical Research Letters, vol.29, no.20) niet veel toe aan de conlusies uit 1999 van Johannessen, maar Comiso deed er een publicitair schepje bovenop: als het zo enige decennia doorgaat dan is al het meerjarig ijs nog deze eeuw verdwenen, schreef ze. Johannessen had juist benadrukt dat de waarnemingsperiode van twintig jaar te kort was voor dit soort conclusies. 

Comiso's publicatie werd begeleid door ongekende ketelmuziek van de Nasa die schitterende animatie-filmpjes beschikbaar stelde. Het nieuws ging de hele wereld over. Dat Comiso's berekeningen net zo makkelijk de conclusie toestaan dat de groei en krimp in het meerjarig ijs steeds grilliger worden en dat er na 1990 helemaal geen duidelijke trend meer is, bleef onvermeld. 

Vorige week had Comiso weer wat nieuws te melden. Ze doet het nu in de Journal of climate in een keurig technisch artikel waarin geprobeerd wordt infrarood-opnames uit satellieten te herleiden tot luchttemperaturen boven de poolstreken. Het is een kalm stuk voor de vakman dat misschien (onbedoeld en onuitgesproken) als intrigerendste conclusie heeft dat het smeltseizoen rond de Noordpool sinds sinds 1990 weer korter wordt. Doorgaans wordt het tegenovergestelde aangenomen. Over de omvang van het zeeijs geen woord. Maar wr was er de fanfare van de Nasa die voor het gemak teruggreep naar het persbericht van 2002, inclusief de felgekleurde animaties. Opvallend is dat Comiso niet verwijst naar het artikel van Xuanji Wang in Science van 14 maart 2003 waarin dezelfde gegevens werden geanalyseerd met gelijkluidende conclusie: de zomers rond de Noordpool worden warmer, maar de winters kouder. 

DIKTEVERSCHILLEN Interessanter was het artikel in Nature (30 oktober) waarnaar de BBC verwees. Het beschrijft een poging van Britse onderzoekers, aangevoerd door Seymour Laxon, om wat meer te weten te komen over trends in de dikte van het zeeijs rond de Noordpool. Binnen het meerjarig zeeijs bestaan natuurlijk nog grote dikteverschillen. Afgezien van incidentele waarnemingen vanuit enkele stations op het ijs komt de informatie over trends in de dikte van het zeeijs tot nu toe vooral van gedeclassificeerde sonar-waarnemingen van Britse en Amerikaanse duikboten. Een erg betrouwbaar beeld leverde dat tot dusver niet op. 

Laxon c.s realiseerden zich dat dik zeeijs hoger boven het water uitsteekt dan dun zeeijs en dat tegenwoordig vanuit satellieten met radar-altimeters minieme hoogteverschillen zijn te bepalen. De berekende diktes bleken goed overeen te stemmen met de sonarwaarnemingen van duikboten. Maar de korte meetperiode (1994-2001) staat nog geen conclusie over een trend toe. Bovendien viel een reusachtig gebied rond de pool zelf buiten de waarnemingen, wat de groep direct op honende kritiek kwam te staan. Anders dan de BBC suggereerde doen Laxon c.s. dan ook geen enkele voorspelling over de toekomst van het zeeijs. 

Toch hebben ze een ferme conclusie. Parafraserend: de enorme variatie in gemiddelde zeeijsdikte die we vinden wordt niet beschreven door de huidige klimaatmodellen. Als de modellen niet verbeteren kan aan hun voorspellingen weinig waarde worden gehecht. 

Dat is vinger op de zere plek, want de waarnemingsreeksen an sich kunnen natuurlijk nooit de toekomst voorspellen. Een keer ten goede kan bij wijze van spreken al volgend jaar beginnen. De kans op een dergelijke wending lijkt ook helemaal niet zo klein. Op statistische (niet op causale) grond wordt een relatie aangenomen tussen de omvang van het zeeijs en trends in het luchtdrukverschil tussen IJsland en Portugal (de zogenoemde Noord Atlantische Oscillatie, NAO). Het luchtdrukverschil is lang heel extreem geweest maar ontwikkelt zich nu in een richting die past bij een gestage groei van het zeeijs. 

Bericht geplaatst: 31 oktober 2003,
Jos Werkhoven, Weerstation De Arend

 

Bron:
NASA, VWK, NRC en
Volkskrant