Jaaroverzicht 2004
Kortenhoef-De Bilt-Nederland

warm, zonnig en vrij nat

Bron: Weerstation De Arend en het KNMI


Met een gemiddelde temperatuur in De Bilt van 10,3 C (De Arend 10,7 C) tegen een langjarig gemiddelde van 9,8 C was 2004 warm. Daarmee is het tevens het achtste jaar op rij met een gemiddelde temperatuur van boven de 10,0 C.
In alle maanden, met uitzondering van mei, juli en december, lag de gemiddelde temperatuur boven normaal. Vooral in april en augustus was de gemiddelde temperatuur hoog: april eindigde op de vijfde en augustus op de negende plaats in de rij van warmste overeenkomstige maanden sinds 1901.
Van 2 tot en met 11 augustus was er sprake van een landelijke hittegolf, de 35e sinds 1901. De hoogste temperatuur van het jaar, 33,6 C werd tijdens de hittegolf bereikt te Soesterberg, op 9 augustus (De arend mat op dezelfde dag 33.3 C) . Op 3 januari werd in Woensdrecht de landelijk laagste temperatuur van dit jaar gemeten: -11,4 C. (-6.8 C was op De Arend op 28 februari de laagste temperatuur)

In onderstaande tabel vindt u de koude en warme dagen te De Bilt (blauw) en te Kortenhoef (groen).

N.B.: De hogere gemiddelde jaartemperatuur van De arend t.o.v. De Bilt wordt voornamelijk veroorzaakt door hogere temperaturen in de zomer. Meestal is er een verschil op jaarbasis van 0.3 of 0.4 C. De zandgrond heeft, in combinatie met noord-oostelijke stromingen en enige beschutting uit het noorden en oosten, een temperatuurverhogende werking bij zonneschijn. De Loosdrechtse- en Kortenhoefse plassen (zuid-westelijke richting) en IJsselmeer (noordelijke richting) hebben een licht temperende werking.

De Arend 2004

Jaar 2004

Normaal

 

 

1

3

8

IJsdagen

(max. temp. lager dan 0,0 C)

54

65

58

Vorstdagen

(min.temp. lager dan 0,0 C)

92

89

77

Warme dagen

(max temp. 20,0 C of hoger)

30

25

22

Zomerse dagen

(max. temp. 25,0 C of hoger)

3

3

3

Tropische dagen

(max. temp. 30,0 C of hoger)

Gemiddeld over het land viel in 2004 862 mm neerslag, terwijl het langjarig gemiddelde 799 mm bedraagt.  Daarmee kan het jaar als vrij nat worden gekarakteriseerd. Op De Arend viel 765,6 mm regen, minder dan het langjarig gemiddelde, dus voor Kortenhoef was de nattigheid normaal. Meest markant was de regionaal overvloedige neerslag in augustus. Op een aantal plaatsen in de westelijke helft van het land viel ruim 200 mm. Op het KNMI-neerslagstation Maasland is de maandsom uitgekomen op 325 mm. Dat is een nieuw landelijk neerslagrecord. Het oude record stond op naam van Zandvoort met 321 mm in oktober 1932. Ook juli was zeer nat waardoor de zomer (juni, juli, augustus) gemiddeld over het land de natste was sinds tenminste 1951. Voor De Arend waren de cijfers: juli 110.2 mm en augustus 138.7 mm. Het jaar kende ook enkele lange, overwegend droge tijdvakken. Van 11 tot en met 27 april viel landelijk gemiddeld slechts vijf mm neerslag, van 8 tot en met 29 mei maar vier mm.
Van de KNMI-stations was Leeuwarden het natst met 1070 mm neerslag. In Vlissingen viel de minste neerslag: 717 mm. In De Bilt viel 859 mm tegen 795 mm normaal.

Het jaar was zonnig met landelijk gemiddeld 1734 zonuren tegen 1553 uren normaal. Het aantal uren zon nam ruwweg van west naar oost over het land af. Van de KNMI-stations was Vlissingen het zonnigst met 1883 zonuren, in Deelen scheen de zon het minst: 1556 uren. In De Bilt werden 1623 uren zonneschijn genoteerd tegen normaal 1527. 54 Dagen verliepen er zonloos, normaal is dat op 78 dagen het geval.

Over 2003 bedroeg de gemiddelde temperatuur in De Bilt 10,3 C en het aantal uren zonneschijn 2022. Er viel 613 mm neerslag.

Normaal=het langjarig gemiddelde over het tijdvak 1971-2000
De Bilt, 3 januari 2005, Rob Sluijter
Kortenhoef, 4 januari 2005, Jos Werkhoven

In onderstaande grafiek vindt u:
in blauw: jaargemiddelde temperatuur De Bilt
in groen: jaargemiddelde temperatuur De Arend, Kortenhoef (vanaf 2002)

 

Jaaroverzicht 2004 aarde

Bron: WMO en het KNMI


Bron: KNMI en WMO press release - Download hier

Jaar 2004: op vierde plaats warmste jaren sinds metingen


De wereldgemiddelde temperatuur over het afgelopen jaar ligt naar verwachting ongeveer + 0,44 graden boven het langjarig gemiddelde over 1961-1990. Dat bericht de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) op basis van de gegevens van de bij de WMO aangesloten landen. Daarmee komt 2004 op de vierde plaats van de warmste jaren sinds het begin van de meetreeks in 1861.

Het jaar 2003 staat met een afwijking van +0,49 graden op de derde plaats. Alleen 1998 (+0,54) en 2002 (+0,48) waren nog warmer. De laatste tien jaren (1995-2004), met uitzondering van 1996, horen tot de warmste ooit gemeten. Vooral oktober was relatief warm: wereldwijd was het de warmste oktober van de meetreeks. In de 20e eeuw is de wereldgemiddelde temperatuur ruim 0,6 graden gestegen. In de laatste kwart eeuw is de opwarming drie keer zo groot als in de afgelopen honderd jaar. Op het noordelijk halfrond waren de jaren negentig de warmste, maar de laatste 5 jaar waren nog een stuk warmer.

Op het noordelijk halfrond waren de jaren negentig van de vorige eeuw en 1998 de warmste in zeker 1000 jaar. Na 2003 volgen 1997 (+0,43), 2001 ( +0,42), 1995 (+0,38), 1990 (+0,34) en 1999 (+0,34), 2000 (+0,29), 1988 (+0,25), 1987 (+0,24) en 1996 (+0,22). De recordwarmte van 1998 hield verband met de zeer sterke El Nio. Toen was het water in een deel van de Stille Oceaan langs de kust van Peru en bij de evenaar een stuk warmer dan normaal. El Nio leverde daarmee een flinke bijdrage aan de wereldtemperatuur. De wereldgemiddelde temperatuur is al bijna een kwart eeuw hoger dan normaal en is het record herhaaldelijk bijgesteld.

Alleen 1992 en 1993 waren met afwijkingen van +0,16 en +0,20 graden wereldwijd minder warm. De tijdelijke onderbreking van de temperatuurstijging wordt in verband gebracht met stof in de atmosfeer afkomstig van de Filippijnse vulkaan Pinatubo die in juni 1991 tot uitbarsting kwam. In 1994 keerde de warmte terug en vervolgens werden de records steeds opnieuw gebroken.

El Nio's, vulkaanuitbarstingen en ook variaties in de zonneactiviteit zijn van groot belang voor het klimaat. Uit onderzoek lijkt dat de waargenomen opwarming in de eerste helft van de 20e eeuw grotendeels verklaard kan worden uit een afname van vulkaanactiviteit (vulkanen hebben een koelend effect), een toename van de zonne-activiteit en variaties in El Nio.

In de tweede helft van de 20e eeuw is de temperatuur sneller opgelopen. De gemiddelde zonne-activiteit is in deze jaren echter amper veranderd. Sinds 1960 vonden er wel flinke vulkaanuitbarstingen plaats. Op basis hiervan zou het dus moeten afkoelen. Het is echter veel warmer geworden. De onderzoekers concluderen daaruit dat de forse opwarming in de tweede helft van de 20e eeuw niet het gevolg kan zijn van natuurlijke variaties. Het Intergouvernementele Panel (IPCC) van de VN wees in zijn laatste rapport in 2001 op dat menselijke activiteiten in belangrijke mate de oorzaak zijn van de warmer wordende wereld. De wetenschappelijke argumenten daarvoor zijn sterker geworden.

Onderstaande afbeelding laat de gemiddelde wereldtemperatuur zien vanaf 1860.